Nederlandse werkwoorden vervoegen
Nederlandse werkwoorden volgen een klein aantal patronen. Wie de stam van een werkwoord kan vinden en de uitgangen per tijd kent, vervoegt de meeste werkwoorden goed. Deze gids behandelt die patronen onderwerp voor onderwerp, met vervoegingstabellen en voorbeelden uit dezelfde 600+ werkwoorden die onze quiz oefent.
Het Nederlands kent twee soorten werkwoorden. Regelmatige (zwakke) werkwoorden volgen de formules in deze gids precies. Onregelmatige (sterke) werkwoorden veranderen van klinker in de verleden tijd (lezen wordt las en gelezen) en moet je uit je hoofd leren. Elk onderwerp hieronder laat zien waar de twee verschillen.
Praten over tijd
Welke heb ik nodig?
- Tegenwoordige tijd: iets dat nu gebeurt, een algemene waarheid, of een plan voor de nabije toekomst.
- Onvoltooid verleden tijd: een achtergrondsituatie, gewoonte, of beschrijving in het verleden.
- Voltooid tegenwoordige tijd: melden dat iets gebeurd is.
- Toekomende tijd: iets dat gaat gebeuren.
Andere werkwoordsvormen
Deze gaan helemaal niet over tijd:
Werkwoordvorming
Hoe een voorvoegsel of voorzetsel zich aan een werkwoord hecht, en wat dat doet met de woordvolgorde: