Alle vervoegingsonderwerpen

Voltooid tegenwoordige & voltooid verleden tijd

Ik heb gisteren gewerkt.

Wat het is

Het Nederlands heeft twee voltooide tijden. Beide combineren een hulpwerkwoord (hebben of zijn) met hetzelfde voltooid deelwoord; het enige verschil is de tijd van het hulpwerkwoord zelf.

Het perfectum komt vaak voor samen met signaalwoorden als: gisteren, al, ooit, nog nooit

  • Voor afgeronde gebeurtenissen: Hij heeft zijn huiswerk gemaakt.
  • Voor ervaringen: Ik ben ooit in Parijs geweest.
  • Gesproken Nederlands gebruikt hem vaak waar het Engels de onvoltooid verleden tijd kiest: Gisteren heb ik gewerkt.

Het plusquamperfectum ('het verleden van het verleden') beschrijft een gebeurtenis die vóór een andere gebeurtenis in het verleden plaatsvond. Hij heeft geen signaalwoorden zoals het perfectum: in plaats daarvan staat hij bijna altijd samen met een zin in de onvoltooid verleden tijd.

  • Voor iets dat al af was vóór een andere gebeurtenis: Ik had gewerkt en daarna liep ik naar huis.
  • Om de volgorde van gebeurtenissen duidelijk te maken: De dief had ingebroken toen Lola de politie belde.

Hoe je hem vormt

Formule: hulpwerkwoord + voltooid deelwoord, met het deelwoord achteraan in de zin. Het deelwoord bouw je op dezelfde manier voor allebei de tijden; alleen de tijd van het hulpwerkwoord verandert. Neem werken en groeien als voorbeeld:

Stapwerkengroeien
Begin met het hele werkwoordwerkengroeien
Neem de stam (haal -en weg)werkgroei
Zet ge- ervoorgewerkgegroei
SoFTKeTCHuP: -t erachter, anders -dgewerktgegroeid

Kies daarna het hulpwerkwoord:

De standaard is hebben: verreweg de meeste werkwoorden gebruiken het: Ik heb gewerkt.

Gebruik zijn bij werkwoorden van beweging ergens naartoe en werkwoorden van verandering: gaan, komen, vertrekken, beginnen, worden, blijven, gebeuren, groeien... en bij zijn zelf: Ik ben in Parijs geweest.

Sommige bewegingswerkwoorden kunnen allebei, afhankelijk van wat de nadruk krijgt: zijn als er een richting of bestemming genoemd wordt, hebben als de activiteit zelf centraal staat. Ik heb vandaag gelopen (de activiteit: hebben) tegenover Ik ben naar huis gelopen (een bestemming: zijn).

Heel werkwoordVoltooide tijd (hij/zij)
werkenheeft gewerkt
gaanis gegaan
groeienis gegroeid
lopenheeft / is gelopen
rijdenheeft / is gereden

Deze vormen komen rechtstreeks uit de werkwoordenlijst die onze quiz oefent.

Vervoeg daarna het hulpwerkwoord zelf:

  • Perfectum: tegenwoordige tijd → heb gewerkt
  • Plusquamperfectum: verleden tijd → had gewerkt

Perfectum

Voornaamwoordwerkengroeien
ikheb gewerktben gegroeid
jij, uhebt gewerktbent gegroeid
hij, zij, hetheeft gewerktis gegroeid
wijhebben gewerktzijn gegroeid
julliehebben gewerktzijn gegroeid
zijhebben gewerktzijn gegroeid

Plusquamperfectum

Voornaamwoordwerkengroeien
ikhad gewerktwas gegroeid
jij, uhad gewerktwas gegroeid
hij, zij, hethad gewerktwas gegroeid
wijhadden gewerktwaren gegroeid
julliehadden gewerktwaren gegroeid
zijhadden gewerktwaren gegroeid

De spelling van het deelwoord: twee valkuilen

Twee dingen kunnen de spelling van het deelwoord in de war schoppen:

  • Kijk naar de medeklinker van het hele werkwoord, niet van de tegenwoordige-tijd-stam (dezelfde valkuil als bij de verleden tijd). Reizen heeft een z, dus gereisd, niet gereist. Zo ook leven → geleefd.
  • Werkwoorden die al beginnen met be-, ge-, ver-, ont- of her- krijgen géén extra ge-: betalen → betaald, gebeuren → gebeurd, vertellen → verteld.
Heel werkwoordVoltooid deelwoord
reizengereisd
levengeleefd
betalenbetaald
gebeurengebeurd
vertellenverteld

Deze vormen komen rechtstreeks uit de werkwoordenlijst die onze quiz oefent.

Onregelmatige deelwoorden: klinkerverandering in plaats van -t/-d

Veel van de meest gebruikte Nederlandse werkwoorden negeren de spellingregel hierboven en veranderen van klinker, meestal eindigend op -en: lezen → gelezen, zitten → gezeten, gaan → gegaan. Zijn is een geval apart: geweest. Er is geen formule: dit zijn dezelfde vormen die je al uit je hoofd leerde voor de verleden tijd.

Heel werkwoordVoltooid deelwoord
lezengelezen
gaangegaan
komengekomen
zittengezeten
zijngeweest
hebbengehad

Deze vormen komen rechtstreeks uit de werkwoordenlijst die onze quiz oefent.

Veelgemaakte fouten

Een veelgemaakte fout: het deelwoord niet helemaal naar het einde verplaatsen. Het Engels zet de tijdsbepaling achteraan ('I worked yesterday'), wat verleidt tot een woord-voor-woord Ik heb gewerkt gisteren. Het Nederlands houdt het deelwoord helemaal aan het eind van de zin: Ik heb gisteren gewerkt.

Nog een: het perfectum gebruiken waar het verhaal het teruggeschoven plusquamperfectum nodig heeft. Vond de ene gebeurtenis vóór de andere plaats, zeg dat dan ook: Ik heb al gegeten toen hij binnenkwam moet Ik had al gegeten toen hij binnenkwam zijn.

Veelgestelde vragen over de voltooide tijden

Is het perfectum hetzelfde als de Engelse present perfect, of de onvoltooid verleden tijd?+

Niet precies. De vorm lijkt op de Engelse present perfect (heb gewerkt = 'have worked'), maar gesproken Nederlands gebruikt hem ook voor een gewone afgeronde gebeurtenis: Ik heb gisteren gewerkt = 'I worked yesterday'. Hij is anders dan de onvoltooid verleden tijd (imperfectum), die juist voor achtergrond, gewoonten en beschrijvingen is, niet om te melden dat iets gebeurd is.

Wat is het echte verschil tussen het perfectum en het plusquamperfectum, en wanneer gebruik ik welke?+

Het perfectum meldt dat iets gebeurd is, meestal de meest recente gebeurtenis in het gesprek. Het plusquamperfectum is alleen voor een gebeurtenis die plaatsvond vóór een andere gebeurtenis waar je het al over hebt: het bestaat om volgorde te tonen, niet alleen verleden tijd. Is er geen eerdere gebeurtenis om naar terug te schuiven, dan wil je het perfectum.

Hoeveel onregelmatige deelwoorden zijn er?+

Heel veel, en ze volgen grotendeels dezelfde werkwoorden die ook in de verleden tijd onregelmatig zijn. Er is geen kortere weg dan uit je hoofd leren, dus gebruik het filter voor onregelmatige werkwoorden in de quiz om precies deze te oefenen.