Alle vervoegingsonderwerpen

Onvoltooid verleden tijd

Hij werkte vorig jaar in een restaurant.

Wat het is

De onvoltooid verleden tijd (het imperfectum) beschrijft situaties, gewoonten en aanhoudende toestanden in het verleden, niet één afgeronde gebeurtenis.

Hij komt vaak voor samen met signaalwoorden als: toen, vroeger, vorig jaar, altijd

Het Nederlands heeft twee manieren om over het verleden te praten. Het imperfectum (deze pagina) schetst een situatie: een achtergrond, een gewoonte, een beschrijving. Het perfectum (voltooid tegenwoordige tijd) meldt dat iets gebeurd is, en is wat gesproken Nederlands standaard gebruikt. Ik werkte daar schetst de situatie; Ik heb daar gewerkt meldt het feit.

  • Voor situaties in het verleden die niet afgesloten zijn: Ik werkte toen in een winkel.
  • Voor gewoonten in het verleden: Vroeger speelden we altijd buiten.
  • Voor beschrijvingen in het verleden: Het was koud en regenachtig.
  • Voor twee losstaande gebeurtenissen tegelijk in het verleden: Ik las een boek en buiten regende het.

Hoe je hem vormt

Formule: stam + -te(n) of -de(n), en welke uitgang je gebruikt hangt af van de laatste medeklinker van de stam. Neem werken en groeien als voorbeeld:

  1. Begin met het hele werkwoord: werken, groeien.
  2. Haal -en weg voor de stam: werk, groei.
  3. Kijk naar de laatste medeklinker van de stam. Is die een van S, F, T, K, CH, P (de letters van SoFTKeTCHuP, ook bekend als 't kofschip)? Dan -te. Anders -de. Voeg bij het meervoud een extra -n toe. Voor:
    • werk eindigt op k: +te → werkte, +ten → werkten
    • groei eindigt op een klinker: +de → groeide, +den → groeiden
Voornaamwoordwerkengroeien
ikwerktegroeide
jij, uwerktegroeide
hij, zij, hetwerktegroeide
wijwerktengroeiden
julliewerktengroeiden
zijwerktengroeiden

-te of -de kiezen: twee valkuilen

Twee dingen kunnen de regel hierboven in de war schoppen:

  • Kijk naar de medeklinker van het hele werkwoord, niet van de tegenwoordige-tijd-stam. Reizen heeft een z (niet de s die je in de stam reis ziet), dus -de: reisde. Zo ook leven → leefde.
  • Een stam die al op -t eindigt, krijgt gewoon -te: praten → praatte. Je schrijft de dubbele t, ook al hoor je hem niet.
Heel werkwoordik / jij / hij (enkelvoud)wij / jullie / zij (meervoud)
werkenwerktewerkten
pratenpraattepraatten
wonenwoondewoonden
reizenreisdereisden
levenleefdeleefden

Deze vormen komen rechtstreeks uit de werkwoordenlijst die onze quiz oefent.

Onregelmatige werkwoorden: klinkerverandering in plaats van -te/-de

Veel van de meest gebruikte Nederlandse werkwoorden trekken zich niets van de regel hierboven aan. Ze veranderen van klinker: lezen → las, komen → kwam. Er is geen formule: deze vormen leer je uit je hoofd.

Heel werkwoordik / jij / hij (enkelvoud)wij / jullie / zij (meervoud)
lezenlaslazen
gaanginggingen
komenkwamkwamen
zittenzatzaten
zijnwaswaren
hebbenhadhadden

Deze vormen komen rechtstreeks uit de werkwoordenlijst die onze quiz oefent.

Veelgemaakte fouten

Een veelgemaakte fout: -te of -de toevoegen aan een onregelmatig werkwoord. Gaan wordt geen gaande, maar ging. Verandert een werkwoord van klinker, dan geldt de SoFTKeTCHuP-regel helemaal niet.

Nog een: het imperfectum gebruiken om één recente gebeurtenis te melden in een gesprek. Gesproken Nederlands kiest daar liever het perfectum: Ik heb gisteren gewerkt klinkt natuurlijker dan Ik werkte gisteren voor een eenmalig feit. Het imperfectum is voor achtergrond, gewoonten en beschrijvingen, niet om te melden dat iets gebeurd is.

Veelgestelde vragen over de onvoltooid verleden tijd

Verandert de uitgang tussen ik, jij en hij, zoals in de tegenwoordige tijd?+

Nee. Anders dan bij de tegenwoordige tijd krijgen alle drie de enkelvoudsvormen precies dezelfde uitgang: ik werkte, jij werkte, hij werkte. Alleen het meervoud is anders, met een extra -n: wij werkten.

Hoeveel onregelmatige werkwoorden zijn er?+

Heel veel. Er is geen kortere weg dan uit je hoofd leren, dus gebruik het filter voor onregelmatige werkwoorden in de quiz om precies deze te oefenen.

Als beide tijden over het verleden gaan, wanneer kies ik dan echt voor het imperfectum in plaats van het perfectum?+

Kies het imperfectum als je een situatie schetst: een achtergrond, een gewoonte, een beschrijving, of twee dingen die tegelijk gebeuren. Kies het perfectum als je gewoon meldt dat iets gebeurd is, wat gesproken Nederlands standaard doet bij een eenmalige gebeurtenis.