Alle vervoegingsonderwerpen

Tegenwoordige tijd

Hij werkt nu.

Wat het is

De tegenwoordige tijd is de tijd die je het vaakst gebruikt: voor wat er nu gebeurt, voor algemene waarheden, en zelfs voor plannen in de nabije toekomst.

Hij komt vaak voor samen met signaalwoorden als: nu, vandaag, altijd, elke dag, meestal

  • Voor wat nu gebeurt: Ik lees een boek.
  • Voor algemene waarheden: Water kookt bij 100 graden.
  • Voor de toekomst bij een vast plan: Morgen ga ik naar school.

Hoe je hem vormt

Formule: stam + uitgang, en de uitgang hangt alleen af van het onderwerp. Neem werken als voorbeeld:

  1. Begin met het hele werkwoord: werken.
  2. Haal -en weg voor de stam: werk.
  3. Voeg de uitgang voor het onderwerp toe. Voor:
    • hij/zij/het: +t → werkt
    • wij, jullie, zij: +en → werken
Voornaamwoordwerkengroeien
ikwerkgroei
jij, uwerktgroeit
hij, zij, hetwerktgroeit
wijwerkengroeien
julliewerkengroeien
zijwerkengroeien

De stam vinden: drie spellingregels

De stam is het hele werkwoord min -en, maar de spelling past het resultaat aan zodat het hetzelfde blijft klinken. Drie aanpassingen:

  • Lange klinker? Schrijf hem dubbel. In maken klinkt de a van ma-ken lang. Haal -en weg en 'mak' zou ineens kort klinken, dus verdubbel je de klinker: maken → ik maak, lopen → ik loop, wonen → ik woon.
  • Dubbele medeklinker? Eén vervalt. Nederlandse woorden eindigen nooit op een dubbele medeklinker: zitten → ik zit, pakken → ik pak.
  • v wordt f, z wordt s. Nederlandse woorden eindigen niet op v of z: leven → ik leef, reizen → ik reis.
Heel werkwoordikjij, uhij, zij, hetwij, jullie, zij
makenmaakmaaktmaaktmaken
wonenwoonwoontwoontwonen
levenleefleeftleeftleven
reizenreisreistreistreizen
zittenzitzitzitzitten

Deze vormen komen rechtstreeks uit de werkwoordenlijst die onze quiz oefent.

De twee onmisbare onregelmatige: zijn en hebben

De meeste werkwoorden volgen het patroon hierboven, maar de twee meest gebruikte werkwoorden van de taal niet. Leer zijn en hebben uit je hoofd: je hebt ze voortdurend nodig en ze bouwen ook de voltooide tijden.

Voornaamwoordzijnhebben
ikbenheb
jij, ubenthebt
hij, zij, hetisheeft
wijzijnhebben
julliezijnhebben
zijzijnhebben

Veelgemaakte fouten

Een veelgemaakte fout: nog een -t toevoegen als de stam er al op eindigt. Praten en zitten eindigen al op -t, dus hij praat en jij zit, niet praatt of zitt.

Nog een: de -t laten staan als jij vlak na het werkwoord komt in een vraag. Jij werkt vandaag, maar Werk jij vandaag? (bij u blijft de -t staan: Werkt u vandaag?)

Veelgestelde vragen over de tegenwoordige tijd

Heeft het Nederlands een aparte vorm voor 'ik ben aan het werken', zoals het Engelse '-ing'?+

Het Nederlands heeft geen aparte duurvorm zoals het Engelse '-ing'. De gewone tegenwoordige tijd dekt meestal beide betekenissen: Ik werk = 'ik werk' of 'ik ben aan het werken'. Als sprekers willen benadrukken dat iets aan de gang is, gebruiken ze vaak een constructie als ik ben aan het werken. De formule daarvoor is: onderwerp + zijn (vervoegd) + aan het + hele werkwoord.

Kan ik de tegenwoordige tijd gebruiken om over de toekomst te praten?+

Ja, voor vaste plannen en roosters: Morgen ga ik naar school. Voor voorspellingen of minder zekere plannen passen gaan of zullen beter.

Zijn er nog meer onregelmatige werkwoorden naast zijn en hebben?+

Ja, er zijn er veel, bijvoorbeeld: de modale werkwoorden willen, kunnen, mogen en moeten zijn ook onregelmatig bij ik/jij/hij (ik wil, jij wilt, hij wil). Net als zijn en hebben leer je deze uit je hoofd, in plaats van met stam + uitgang.