Alle vervoegingsonderwerpen

Over de toekomst praten

Ik ga morgen werken.

Wat het is

Het Nederlands heeft geen toekomende tijd zoals het een verleden tijd heeft. Je combineert een hulpwerkwoord (gaan of zullen) met het hele werkwoord, dat naar het einde van de zin verhuist, of je gebruikt gewoon de tegenwoordige tijd met een tijdsbepaling.

Tijdsbepalingen die vaak wijzen op de toekomst: morgen, volgende week, zo meteen

  • Gaan + heel werkwoord is de gewoonste manier om in gesproken Nederlands over de toekomst te praten: persoonlijke plannen en voorspellingen die je ziet aankomen. Het gaat regenen.
  • Zullen + heel werkwoord klinkt formeler: beloftes, voorstellen en voorspellingen. Ik zal het niet vergeten.
  • Tegenwoordige tijd + een tijdsbepaling dekt geplande gebeurtenissen en dienstregelingen, helemaal zonder hulpwerkwoord. De trein vertrekt om 10 uur.

Hoe je hem vormt

Formule: hulpwerkwoord, vervoegd voor het onderwerp, + het hele werkwoord helemaal achteraan in de zin. Het hele werkwoord zelf verandert nooit van vorm:

  1. Kies een vorm: gaan voor een plan, zullen voor een belofte of voorspelling.
  2. Vervoeg het hulpwerkwoord voor het onderwerp, net als elk ander werkwoord: ik ga, hij gaat, wij gaan.
  3. Zet het hele werkwoord helemaal aan het eind van de zin: Ik ga morgen werken.

Hier getoond met werken bij gaan en groeien bij zullen, want beide hulpwerkwoorden volgen hetzelfde patroon, ongeacht welk werkwoord erachter komt:

Voornaamwoordmet gaanmet zullen
ikga werkenzal groeien
jij, ugaat werkenzal / zult groeien
hij, zij, hetgaat werkenzal groeien
wijgaan werkenzullen groeien
julliegaan werkenzullen groeien
zijgaan werkenzullen groeien

Zullen volgt niet het gewone patroon

De meeste werkwoorden krijgen een gewone -t-uitgang bij jij/u en hij/zij/het, maar zullen is onregelmatig: de ik-vorm is zal, niet zalt, en jij kan zowel zult als zal zijn.

Voornaamwoordzullen
ikzal
jij, uzult / zal
hij, zij, hetzal
wijzullen
julliezullen
zijzullen

Bij jij zijn zult en zal allebei goed; bij u is zal de gebruikelijke beleefde keuze (u zult komt ook voor).

Veelgemaakte fouten

Laat het hele werkwoord niet eerder in de zin staan zoals in het Engels. Ik ga kopen een huis volgende week is fout: alles na het hulpwerkwoord verhuist naar het einde, dus wordt het Ik ga volgende week een huis kopen.

Zullen lijkt op het Engelse 'will', dus leerlingen grijpen er standaard naar. In alledaags gesproken Nederlands klinkt gaan of de tegenwoordige tijd meestal natuurlijker; bewaar zullen voor beloftes, voorspellingen en formelere momenten.

Veelgestelde vragen over de toekomende tijd

Is er een echt verschil tussen gaan en zullen?+

Ja. Gaan is voor iets wat je al besloten hebt of ziet aankomen, zoals een plan of een voor de hand liggende voorspelling (Het gaat regenen). Zullen is voor een belofte, een aanbod, of een voorspelling waar je minder zeker van bent, en klinkt formeler. In spreektaal is gaan veruit het gewoonst.

Kan ik niet gewoon overal de tegenwoordige tijd voor gebruiken?+

Alleen als de toekomstige gebeurtenis vaststaat, zoals een dienstregeling of een afspraak, en een tijdsbepaling de toekomstige betekenis duidelijk maakt (De trein vertrekt om 10 uur). Voor een plan, voornemen of voorspelling gebruik je gaan of zullen.

Waarom is het zal en geen gewone -t-vorm?+

Zullen is een van een klein groepje Nederlandse werkwoorden, samen met kunnen, mogen en moeten, die niet de gewone tegenwoordige-tijd-uitgangen krijgen. Er is geen regel om zal uit zullen af te leiden; je leert het gewoon uit je hoofd, net als ben bij zijn.

Welke gebruik ik als ik het niet zeker weet?+

Kies standaard gaan. Het dekt verreweg de meeste dagelijkse uitspraken over de toekomst en klinkt nooit fout voor een plan of verwachting; grijp alleen naar zullen als je specifiek een belofte of een formele voorspelling bedoelt.