Alle vervoegingsonderwerpen

Vaste voorzetsels

Ik wacht op de bus.

Wat het is

Een werkwoord met een vast voorzetsel hoort altijd bij precies één voorzetsel, gekozen door het werkwoord zelf, niet door de betekenis. Dat voorzetsel is een gewoon, zelfstandig woord: het smelt niet samen met het werkwoord, en het verhuist nooit op zichzelf naar het einde van de zin. Dat maakt het anders dan een scheidbaar werkwoord zoals opzoeken, waar het vaste stukje deel uitmaakt van het werkwoord zelf. Hier is op in wachten op gewoon een voorzetsel dat zijn normale werk doet: een voorwerp inleiden.

  • houden van: Ik houd van muziek.
  • denken aan: Zij denkt aan haar moeder.
  • kijken naar: Wij kijken naar een film.

Hoe het zich gedraagt

Er is hier geen vormingsrecept, wachten op verandert niet van vorm afhankelijk van de zin. Het voorzetsel en zijn voorwerp, op de bus, blijven samen als één geheel, in elke tijd. Neem wachten op met het voorwerp de bus in dezelfde vijf tijden:

TijdZin
Tegenwoordige tijdJullie wachten op de bus.
Onvoltooid verleden tijdJullie wachtten op de bus.
Voltooid tegenwoordige tijdJullie hebben op de bus gewacht.
Voltooid verleden tijdJullie hadden op de bus gewacht.
Toekomende tijd (gaan)Jullie gaan op de bus wachten.

Let op

Jullie wachten de bus op. lijkt op het patroon van scheidbare werkwoorden, maar dat is hier fout: op hoorde nooit bij wachten, dus er is niets om los te maken. Op de bus blijft samen als één geheel.

Op de bus is één geheel, een voorzetsel plus zijn voorwerp, en het neemt een gewone plek in de zin in, dezelfde plek die elke vergelijkbare uitdrukking zou innemen, meestal vlak voor het werkwoord aan het einde. Het komt niet los, omdat het nooit aan het werkwoord vastzat.

Er is één geval waarin het voorzetsel wél lijkt te verhuizen: als het voorwerp een ding is in plaats van een persoon, en vervangen wordt door een klein woordje als er. Dat is een heel andere regel (het Nederlands kan gewoon geen op het zeggen voor een ding), niet hetzelfde loskomen als bij scheidbare werkwoorden. Hieronder meer daarover.

De er/daar/waar-constructie: persoon versus ding

Als het voorwerp van een vast voorzetsel een persoon is, kun je het vervangen door een gewoon voornaamwoord na het voorzetsel: Ik wacht op mijn vriend wordt Ik wacht op hem. Maar als het voorwerp een ding is, staat het Nederlands niet toe dat op de bus zo tot een voornaamwoord wordt teruggebracht. In plaats daarvan hecht het voorzetsel zich aan een klein woordje, er, daar of waar, en valt het ding zelf uit de zin weg:

GevalZin
PersonIk wacht op mijn vriend. → Ik wacht op hem.
ThingIk wacht op de bus. → Ik wacht erop.
Question (thing)Waar wacht je op? / Waarop wacht je?

Veelvoorkomende werkwoorden met een vast voorzetsel

Er is geen regel om te voorspellen welk voorzetsel bij een werkwoord hoort, alleen uit je hoofd leren. Een paar voorbeeldparen:

WerkwoordZin
wachten opIk wacht op de bus.
houden vanIk houd van muziek.
denken aanZij denkt aan haar moeder.
kijken naarWij kijken naar een film.
zorgen voorHij zorgt voor de kinderen.
rekenen opJe kunt op mij rekenen.

Veelgemaakte fouten

Wachten op en opwachten lijken sterk op elkaar, maar hebben niets met elkaar te maken: opwachten is een scheidbaar werkwoord dat 'iemand opwachten' betekent, niet hetzelfde werkwoord uit elkaar gehaald. Ik wacht op mijn vriend is een andere zin dan Ik wacht mijn vriend op.

Vertaal het voorzetsel niet woord voor woord vanuit een andere taal. Wat in het Engels 'wait for' is, geeft je geen wachten voor; de vaste combinatie is wachten op. Leer elk werkwoord samen met zijn voorzetsel als één geheel.

Zeg niet op het voor een ding dat al genoemd is, dat staat het Nederlands niet toe. Gebruik in plaats daarvan erop: Ik wacht erop., niet Ik wacht op het.

Verplaats het voorzetsel niet naar het einde zoals je bij een scheidbaar werkwoord zou doen: ✗ Jullie wachten de bus op. Het voorzetsel blijft bij zijn voorwerp: ✓ Jullie wachten op de bus.

Veelgestelde vragen over vaste voorzetsels

Hoe weet ik welk voorzetsel bij een werkwoord hoort?+

Meestal door het uit je hoofd te leren, net zoals je hebben of zijn leert voor de voltooide tijden. Een goed woordenboek zet het vaste voorzetsel meteen bij het trefwoord, bijvoorbeeld wachten (op).

Kan ik het voorzetsel ooit weglaten?+

Nee, het hoort bij de betekenis van het werkwoord. Wachten op de bus en gewoon wachten betekenen iets anders; zonder op zegt de zin niet meer waar je op wacht.

Is erop één woord of twee?+

Eén woord, aan elkaar geschreven: erop, erin, eraan. Hetzelfde geldt voor daarop/daarin en waarop/waarin.

Is dit hetzelfde als werkwoorden zoals opzoeken?+

Nee, en dat verschil is de moeite waard. Bij opzoeken zit op vast aan het werkwoord en komt het los in een hoofdzin. Hier is op in wachten op een echt voorzetsel dat altijd bij zijn voorwerp blijft. Kijk op de pagina over scheidbare werkwoorden voor dat patroon.

De werkwoordenquiz bevat al werkwoorden zoals wachten, houden, denken en kijken. Ze daar oefenen traint de vervoegde vormen, al test het niet welk voorzetsel bij elk werkwoord hoort.