Scheidbare werkwoorden
Hij zoekt het woord op.
Wat het is
Een scheidbaar werkwoord is een gewoon Nederlands werkwoord met een voorvoegsel dat in de woordenboekvorm vastzit, bij opzoeken is dat op, al is dat niet altijd een voorzetsel (hieronder meer daarover). In een hoofdzin komt dat voorvoegsel los van het vervoegde werkwoord en verhuist het helemaal naar het einde van de zin. Het is een van de meest voorkomende werkwoordsvormen in alledaags Nederlands.
- aanmelden: Ik meld me aan voor de cursus.
- invullen: Zij vult het formulier in.
- afspreken: Wij spraken gisteren af.
Hoe je hem vormt
Het voorvoegsel en het werkwoord worden in de infinitief als één woord geschreven (opzoeken), maar ze blijven niet altijd samen. Of ze loskomen hangt af van of het werkwoord vervoegd is (voor een onderwerp) en of het in een hoofdzin staat. Neem opzoeken met het lijdend voorwerp de antwoorden in dezelfde vijf tijden:
| Tijd | Zin |
|---|---|
| Tegenwoordige tijd | Jullie zoeken de antwoorden op. |
| Onvoltooid verleden tijd | Jullie zochten de antwoorden op. |
| Voltooid tegenwoordige tijd | Jullie hebben de antwoorden opgezocht. |
| Voltooid verleden tijd | Jullie hadden de antwoorden opgezocht. |
| Toekomende tijd (gaan) | Jullie gaan de antwoorden opzoeken. |
Let op
✗ Jullie zoeken op de antwoorden. lijkt op zoeken plus het woord op, maar dat is niet wat hier gebeurt. Opzoeken is één werkwoord, en op hoort erbij, het is geen los woord vóór de antwoorden.
Nederlandse zinnen zetten het vervoegde werkwoord bijna altijd op de tweede plaats. Alles wat verder bij dat werkwoord hoort, schuift juist naar het einde van de zin. Op hoort bij opzoeken, het is geen los woord dat de antwoorden beschrijft, dus het kan niet het werkwoord op die tweede plaats zijn. Het blijft achter aan het einde, na het lijdend voorwerp.
Dit gebeurt alleen als het werkwoord echt vervoegd is, zoals zoekt of zocht. Is dat niet zo, zoals bij de infinitief na gaan of het voltooid deelwoord na hebben, dan blijft het hele woord samen, voorvoegsel en al, omdat het hulpwerkwoord (gaan, hebben) de tweede plaats inneemt: Jullie gaan de antwoorden opzoeken.
Nog een detail: na een woord als omdat verhuist het werkwoord altijd helemaal naar het einde, vervoegd of niet. Dus blijft opzoeken ook daar aan elkaar vast: ...omdat jullie de antwoorden opzoeken.
Zes soorten voorvoegsel, één regel
Het voorvoegsel hoeft geen voorzetsel te zijn. Het kan ook een bijwoord, een bijvoeglijk naamwoord, een zelfstandig naamwoord zijn, of zelfs een stukje zonder eigen betekenis, en ze komen allemaal op dezelfde manier los:
| Soort voorvoegsel | Heel werkwoord |
|---|---|
| Voorzetsel | aanmelden |
| Bijwoord | teruggaan |
| Bijvoeglijk naamwoord | klaarmaken |
| Zelfstandig naamwoord | plaatsnemen |
| Geen eigen betekenis | teleurstellen |
Niet te verwarren met: onscheidbare werkwoorden
Een handjevol voorvoegsels komt nooit los en wordt nooit benadrukt: be-, ver-, ont-, ge-, her-, mis-, ent-. Dat is een aparte, gesloten groep, altijd vast aan het werkwoord, in elke zin. Het verschil zie je het duidelijkst in een bijna-minimaal paar met dezelfde stam:
| Heel werkwoord | Zin |
|---|---|
| opstaan | Hij staat om zeven uur op. |
| verstaan | Hij verstaat de vraag niet. |
| bestaan | Dit probleem bestaat al jaren. |
Veelgemaakte fouten
Wachten op en opwachten lijken sterk op elkaar, maar hebben niets met elkaar te maken: wachten op is een werkwoord met een vast voorzetsel (zie de volgende pagina), terwijl opwachten een eigen scheidbaar werkwoord is dat 'iemand opwachten' betekent. Ik wacht op mijn vriend is een andere zin dan Ik wacht mijn vriend op.
Vuistregel: het voorvoegsel verhuist naar achter het lijdend voorwerp (het ding waarmee iets gebeurt). ✗ Jullie zoeken op de antwoorden → ✓ Jullie zoeken de antwoorden op.
Laat de ge- niet weg en zet hem niet voor het hele woord in het voltooid deelwoord: het is opgezocht, niet opzocht of geopzocht. De ge- komt tussen het voorvoegsel en de werkwoordsstam.
Bij een te-infinitief komt te ook tussen het voorvoegsel en het werkwoord: Ik probeer het op te zoeken, niet Ik probeer het te opzoeken.
Veelgestelde vragen over scheidbare werkwoorden
Hoe weet ik of een werkwoord scheidbaar is?+
Meestal door het uit je hoofd te leren, al zetten woordenboeken het meestal duidelijk aan, vaak met een streepje in de infinitief (op|zoeken). Een vuistregel: het voorvoegsel krijgt de klemtoon, OPzoeken niet opZOEken, het tegenovergestelde van de meeste onscheidbare werkwoorden.
Blijft het voorvoegsel ooit vastzitten in een hoofdzin?+
Nee. Als het werkwoord vervoegd is en de zin een hoofdzin is, komt het voorvoegsel altijd los. Het blijft alleen vast als de werkwoordsvorm zelf niet vervoegd is (infinitieven, deelwoorden) of de zin een bijzin is.
Is opzoeken echt één werkwoord, of is zoeken op gewoon zoeken plus een voorzetsel?+
Eén werkwoord. Zoeken heeft op zichzelf al een lijdend voorwerp nodig (Ik zoek mijn sleutels), dus op voegt geen nieuw voorzetselvoorwerp toe. Het is de losse helft van opzoeken, een eigen werkwoord met een eigen betekenis ('iets nazoeken').
Is dit hetzelfde als werkwoorden zoals wachten op?+
Nee, en dat verschil is de moeite waard. Bij wachten op is op een echt voorzetsel dat vast blijft zitten aan zijn voorwerp en nooit op zichzelf loskomt. Kijk op de pagina over vaste voorzetsels voor dat patroon.
De werkwoordenquiz bevat al scheidbare werkwoorden zoals opzoeken, aanmelden en afspreken. Ze daar oefenen traint de vervoegde vormen, al test het niet de woordvolgorde met het losse voorvoegsel die hierboven staat.